Hype

Apple wanneer ze de update van een product op de markt gooien. De Rode Duivels als ze een paar wedstrijden na elkaar winnen. Facebook, of Netlog even daarvoor, of MSN dáárvoor. Kookprogramma’s en alle afgeleide producten. Vijftig tinten grijs, Somebody that I used to know, volkstuintjes, grote nerd-brillen, 3D-films en Vespa-scooters.

Dit zijn hype’s. N-VA is geen hype meer.

Na de Vlaamse verkiezingen in 2009 en de federale verkiezingen in 2010, wint de Nieuw-Vlaamse Alliantie nu ook de lokale en provinciale verkiezingen van 2012. Het is flauw om al dat succes nog te wijten aan de deelname van één man aan één televisiequiz, jaren geleden. Dat is trouwens ook bijzonder denigrerend voor al die kiezers die N-VA een lokale doorbraak bezorgden. Alsof zij hun burgemeester kiezen aan de hand van een grap over dierenuitwerpselen meer dan drie jaar geleden.

Het is duidelijk dat een belangrijk deel van Vlaanderen al lang zat te wachten op een democratische Vlaamsbewuste partij die geen racisme of populisme aan te wrijven valt. Een centrumrechtse partij die haar economische programma niet slachtoffert op het altaar van regeringsdeelname. Een schijnbaar principiële partij die zich conservatief durft op te stellen zonder angst voor de banbliksems van een bepaald establishment dat progressief denken tot dogma heeft verheven.

Dat België wel gesubsidieerd, maar niet bestuurd wordt door een meerderheid van Vlamingen, is geen detail meer. Anno 2012 kan een politieke kaste zich niet meer alles permitteren. Zo kan men het evengoed niet meer maken om N-VA, en dus iedereen die met die partij sympathiseert, voortdurend neer te zetten als gevaarlijk, ondoordacht, extremistisch, racistisch, zelfs fascistisch. De mensen worden dat beu.

De traditionele Vlaamse partijen hebben het succes van N-VA louter aan zichzelf te danken. Niet aan de media, niet aan het Vlaams Belang, niet aan de foertstemmers. Stop met het weg te wuiven als een rage, een hype: zet die ploat af.

Pas wanneer het fundamentele succes van N-VA echt wordt erkend en naar waarde geschat, zal het debat niet meer over N-VA gaan. Dan moeten we het eindelijk niet meer over een partij hebben, maar kunnen we de uitdagingen van de zeer nabije toekomst aanpakken. Als we na de verkiezingen van 2014 geen nieuwe formatiecrisis willen, dan kunnen we nu misschien beginnen met die actief te vermijden.

Want een hype is een modegril. De N-VA is geen modegril meer.

Herinneringen aan Knack

Geert Bourgeois, toen nog voorzitter van de Volksunie, staat met zijn rug naar me toe en voor hem strekt zich een zee uit van cameralenzen en microfoonhengels. De foto doet mij onwillekeurig denken aan Christus voor Zijn rechters – de vloek van een christelijke opvoeding.

Het is mijn eerste herinnering aan Knack. Het was voorjaar 2001 en ik  was twaalf.

De Knack van Sus Verleyen heb ik nooit gekend.  Mijn Knack was die van Rik Van Cauwelaert en Koen Meulenaere en het is deze Knack die vandaag verdwijnt. Dat vind ik jammer, want ik heb geen eerste herinnering aan Humo, aan De Standaard of aan De Morgen. Knack was altijd bijzonder.

Ik herinner me ook nog het artikel bij de foto. Het was uitstekend en bondig: een heldere analyse van de doodsstrijd van een partij en ook de persoonlijke strijd van een man (op dat moment nog een hopeloze strijd, maar ik las geen leedvermaak). Ik heb die toon onthouden omdat ik die week na week zag terugkeren. Hoe ouder ik werd, hoe meer ik ging appreciëren dat Knack vaak rustig  bleef: opiniërend en prikkelend, maar toch nooit te reduceren tot één stem, één richting.

Mijn Knack is nooit een partijblad geweest. Het ergert mij dat sommige mensen vandaag doen alsof Knack onder Van Cauwelaert een wekelijks N-VA-pamflet was. Het geheugen van het publiek is blijkbaar kort. In de periode 1999-2007 kreeg Knack vaak het verwijt dat het een CD&V-blaadje was. Van Cauwelaert kreeg niet zelden een ACW-etiket opgekleefd.  En nu kan je veel zeggen over N-VA, maar niet dat ze overdreven veel gemeen heeft met de christelijke vakbond.

Knack heeft altijd een gezonde oppositie-mentaliteit gehad. In de paarse jaren schreef men zeer scherp over paars, en leunde men dus automatisch dichter aan bij oppositiepartij CD&V. Op dit moment is de Nieuw-Vlaamse Alliantie dé oppositiekracht, dus mag het niet verbazen dat kritische Knack bij momenten richting de Vlaams-Nationalisten neigt.

Het is jammer dat Knack in dit opzicht vrij uniek is. Eigenlijk zouden alle tijdschriften en alle journalisten per definitie op de oppositiebanken moeten zitten. Dat is misschien niet de grootste objectiviteit, maar wel de grootste vrijheid: onafhankelijkheid van de macht, los van elk establishment.

Als de nieuwe hoofdredacteur een zeer recent verleden heeft als persoonlijke medewerker van politici die allemaal uit dezelfde stal komen, dan verdwijnt de geloofwaardigheid van die onafhankelijkheid. Wie Van Cauwelaert echt wat gevolgd heeft, zal moeten toegeven dat je de man echt niet in één zak kan steken. Bij Jörgen Oosterwaal is dat al wat makkelijker.

Zeggen wij op 15 oktober meteen ons abonnement op? Natuurlijk niet. Maar ik zal Knack wel met andere ogen lezen. Vanaf nu staat de onafhankelijkheid van de chef wel ter discussie. En jammer genoeg ook de onafhankelijkheid van de redactie, die de nieuwe hoofdredacteur blijkbaar tegen wil en dank opgedrongen krijgt.

Als een redactie al niet meer over zichzelf mag beschikken, kan ze dan wel beschikken over de lijn van het blad?

“Men heeft vaak gelachen met de oude generatie van verzuilde verslaggevers, die zogezegd veel te dicht bij hun politieke broodheren stonden. Ik heb thuis het tegendeel gezien: mijn vader en mijn oom stonden veel verder van het dagelijkse politieke bedrijf dan journalisten vandaag. De oude generatie had zijn contacten en overlegmomenten, maar daar bleef het bij. Nu zie je journalisten boeken schrijven in opdracht van politici over wie ze geacht worden onafhankelijk te oordelen en te berichten. Ik heb daar vragen bij.”

Rik Van Cauwelaert heeft dat gezegd. In 2006.

Vragen zonder antwoord en zonder zin

Deze vragen hebben geen zin. Ze bevatten het antwoord al – en niet alleen het antwoord, maar ook het duidelijke en morele oordeel van de vragensteller. Hen voorleggen aan bepaalde journalisten – die hun oordeel ook al lang gevormd hebben – zou geen enkele zin hebben. Toch schrijf ik ze hier neer. Omdat het kan.

1) Doet het er eigenlijk toe hoe vaak De Wever, in columns en interviews, herhaalt dat hij gelooft in een meerlagige identiteit waarin mensen zeker niet alleen Vlaming zijn? Of zullen jullie altijd blijven proberen om de N-VA-voorzitter het etiket op te kleven van een bekrompen vendelzwaaier die alle Vlamingen in hetzelfde hokje wil duwen?

2) Over etiketten gesproken: hoe lang nog zal men de N-VA bestempelen als “neoliberaal” en “neoconservatief”? Gaat “neoliberalisme” niet veel te ver voor een partij die het sociaal vangnet helemaal niet in vraag stelt en de vrije markt niet zomaar de vrije hand wil geven? Is “neoconservatief” geen flauwe poging om De Wever te linken aan “neocons” in de VS? Waarom wordt de retoriek van journalisten niet eens wat fundamenteler in vraag gesteld?

3) Zeg nu eens eerlijk: willen jullie dat het Vlaams Belang achteruitgaat? Want telkens wanneer VB-procenten naar N-VA gaan, maken jullie je luidop zorgen. Het VB moet kleiner worden, maar die kiezers mogen nergens anders naartoe gaan? Mag het VB enkel kleiner worden wanneer die stemmen gerecupereerd worden door een partij die jullie bevalt? Zien jullie op 14 oktober liever Dewinter dan De Wever winnen?

4) Hebben jullie ooit zelf de idee dat het hele Calimero-verwijt misschien een beetje uitgemolken is? Dat het misschien van originaliteit, intellectuele verkwikking en eerlijkheid zou getuigen om niet elke dag weer “Calimero” te roepen, ook wanneer daar geen goede aanleiding voor is? Is “Calimero” niet gewoon een recyclage-verwijt, een poging om het oude cliché van de kaakslag-flamingant levend te houden? En zou het met een minimum aan verbeelding niet mogelijk zijn om heel wat andere politici dit etiket op te kleven?

5) Is wij-zij-denken niet eigen aan de politiek? Is het zelfs niet de taak van een politieke partij om een groep te identificeren en proberen de belangen van die groep te behartigen? Doet niet elke partij dat? Zijn de linkse aanvallen op “de bankiers” of “de ondernemers” vaak geen straffere staaltjes van vijanddenken dan gelijk wat de N-VA over Franstaligen ten beste heeft gegeven?

6) Zou men het niet hypocriet kunnen noemen dat sommige journalisten graag en veel klagen over de aandacht die De Wever te beurt valt in de media? Voelt men niet gewoon aan dat men scoort met De Wever, zowel bij voor- als tegenstanders, en is het niet zo dat men hem daarom blijft opvoeren? Is het niet zo dat De Wever gewoon het lekkerste hapje is voor journalisten: een politicus met een duidelijk gedacht, recht door zee, met enige onderbouwing? Steken andere politici daar niet te armtierig tegen af?

7) Waarom lees ik nu vaak venijnige steken naar een De Wever die al maanden campagne aan het voeren is in Antwerpen? Hebben de media niet vele maanden lang aan de kop van De Wever gezaagd om nu eens eindelijk zijn kandidatuur aan te kondigen? Hebben jullie de N-VA-voorzitter niet gehekeld in tijdschrift en krant omdat hij veel te lang gewacht zou hebben met het bekendmaken van zijn intenties? Wat is het nu eigenlijk?

8) Hoe durven we in Vlaanderen neer te kijken op de subjectiviteit van bijvoorbeeld de Nederlandse krant De Telegraaf, die in de recente verkiezingscampagne voor de Tweede Kamer campagne zou hebben gevoerd tegen enkele (linkse) partijen? Kan men nu oprecht zeggen dat er in Vlaanderen geen dagbladen zijn die een duidelijke koers hebben, voor of tegen bepaalde partijen? Zijn Vlaamse journalisten echt goed geplaatst om anderen lessen te geven in journalistieke terughoudendheid?

9) Is er dan geen enkele politieke journalist die ooit gewichtsproblemen heeft gehad? Waarom anders is er nooit veel empathie geweest voor het eetprobleem van De Wever? Zijn al die flauwe, gevoelloze, maar oh zo populaire sneren over “het politieke zwaargewicht” alweer vergeten? Is het echt zo ondenkbaar dat een vader van jonge kinderen die zijn eigen vader vroeg heeft verloren om andere dan louter politieke redenen zou willen afvallen? Zouden jullie evenveel aandacht hebben voor een drugsverslaving of een drankzucht?

10) In alle eer en geweten; beschouwt iedereen het nationalisme wel als een normale politieke opvatting? Speelt hier geen achterhaald beeld over nationalisme, geen ongefundeerde vrees en partijdig voorbehoud? Kunnen we het er dan echt niet over eens zijn dat nationalisme ook civiel, humanitair en volstrekt fatsoenlijk kan zijn? Kunnen we niet afspreken dat je het makkelijk oneens kan zijn met de ideeën van N-VA, maar dat deze ideeën wel democratisch zijn? Moet al die onzin over “extreem-rechts” niet worden weggezet als wat het is: onzin?

11) Ten slotte, heel eenvoudig: worden jullie hier ook niet ontzettend moe van?

Waarom mensen Bart De Wever haten

Bart De Wever. Love him or hate him, er lijkt geen tussenweg te zijn. De N-VA-voorzitter wordt opgehemeld en uitgespuwd. Je bent ofwel (hevige) fan, ofwel (vurige) tegenstander. Onverschillig ben je nooit.

Hoe komt het toch dat De Wever, meer dan andere politici, zo hevige gevoelens oproept? Het werd hem gevraagd in De Kruitfabriek, de actuashow op VIER. Volgens De Wever ligt dat aan de standpunten die zijn partij inneemt. Omdat die standpunten zo helder ingaan tegen het status-quo, roepen ze veel weerstand op. Dat is een slim antwoord, maar het klopt niet.

Het ligt allemaal aan De Wever zelf.

Los van de standpunten die hij inneemt en los van het politieke pad dat hij de laatste jaren heeft uitgezet, staat het als een paal boven water dat De Wever het grootste politieke talent van zijn generatie is. Alleen al retorisch steekt hij sinds jaren met kop en schouders boven de concurrentie uit. Het is ook pijnlijk duidelijk dat hij veel meer intellectuele bagage heeft dan de meeste andere toppolitici. Veel ideologische tegenstanders van de N-VA hebben ook de eerlijkheid om dat ruiterlijk toe te geven. Maar de sterktes van De Wever zijn ook zijn zwaktes. Niemand houdt van het slimste jongetje van de klas.

Er is nog iets anders met De Wever, iets wat hem nog veel meer dan zijn intelligentie en zijn populariteit wordt kwalijk genomen. De N-VA-voorzitter weigert koppig te beantwoorden aan clichés. Het oude, gekoesterde stereotype van de verzuurde, vendelzwaaiende Vlaams-Nationalist in korte broek, met een norse ringbaard en heel wat romantiek – het is gewoon niet toepasbaar op De Wever. De N-VA is onder leiding van de Antwerpenaar gaan staan voor een redelijk en rationeel nationalisme. Vlaams zelfbestuur: niet omdat het onze lotsbestemming als volk zou zijn, maar omdat het op basis van een onderbouwde analyse van de Belgische structuren de beste en meer democratische oplossing is.

Je kan het makkelijk oneens zijn met de redeneringen van De Wever, maar één ding kan je niet: ontkennen dat het wel degelijk redeneringen zijn. Dat erover is nagedacht, dat het niet gewoon 19de eeuwse romantiek is.

De analyse van De Wever is ook volstrekt democratisch. Je kan de N-VA onmogelijk een gebrek aan fatsoen of democratisch gehalte verwijten. En ook dat wordt De Wever kwalijk genomen: hij heeft het Vlaams-Nationalisme losgeweekt uit het bruine hoekje waar het Vlaams Blok de Vlaamse Beweging had ingeduwd. De ideologische tegenstanders van het Vlaams-Nationalisme hebben lange tijd gretig gebruik gemaakt van het Vlaams Blok om de legitimiteit van het hele Vlaams-Nationalisme te ondergraven. Elke stem die De Wever nu bij Dewinter gaat halen, maakt het antiracistische argument tegen het Vlaams-Nationalisme zwakker. Het drijft sommige tegenstanders bijna tot wanhoop.

Het allerergste is nog dat De Wever humor heeft. Heel lang werd het beeld van de humorloze Vlaams-Nationalist door een bepaald progressief clubje gretig gecultiveerd. Maar De Wever werkt op de lachspieren, met een vaak kurkdroge, intelligente en vooral zeer snelle stijl. Hemeltergend voor wie altijd heeft beweerd dat je wel een heel erg droeve apostel moet zijn om te geloven in het nut, het belang en zelfs de schoonheid van de Vlaamse gemeenschap. Het is precies hierom dat er vaak met veel frustratie zuur gesproken wordt over de deelnames van De Wever aan de televisiequiz “De (Aller)Slimste Mens Ter Wereld”. Niet omdat De Wever ooit tegen politici in spelprogramma’s gekant was, niet eens omdat die quiz het begin vormde van zijn brede en grote populariteit: maar omdat De Wever in de Woestijvis-quiz komaf maakte met de oude clichés over “de” Vlaams-Nationalist.

Veel oude tegenstanders van het Vlaams-Nationalisme nemen moeilijk afscheid van hun vooroordelen. De gekoesterde clichés leven voort in de kritiek die De Wever elke dag krijgt. Het veelgehoorde verwijt “Calimero” is in feite niets meer dan een nieuwe versie van een oud verwijt; dat van de kaakslagflamingant. Door De Wever, en de rest van de N-VA graag voor te stellen als “een bende Calimero’s” appelleert men aan de herinnering van de flamingant die in alles een kaakslag ziet. Of dat beeld ooit representatief was is een apart debat waard, maar feit is dat dit cliché springlevend is in de geesten van sommige nostalgische progressieven.

Een ander geliefd cliché is de flamingant als verdachte randfascist. Alles wat Vlaamsgezind is voorstellen als een bruine bende was lange tijd de meest efficiënte strategie tegen het Vlaams-Nationalisme. De Wever is heel moeilijk in zo een hoekje te drummen. Maar je ziet wel dat alles goed is om het toch maar te proberen: een foto na een debatavond met Jean-Marie Le Pen, een historische kritiek op late excuses voor de oorlog, zelfs de grafzerk van vader De Wever: het is allemaal goed genoeg om De Wever aan het collaboratieverleden te linken. Het illustreert de wanhoop die De Wever heeft veroorzaakt.

Op de populariteit van De Wever staat een houdbaarheidsdatum. Maar wat hij heeft verwezenlijkt, zal zijn eigen politieke carrière wellicht overleven. De Wever heeft – en dat is zonder twijfel zijn grootste historische verdienste – het nationalisme in Vlaanderen een andere perceptie gegeven. Hij heeft dat gedaan met zijn discours en met zijn teksten, maar het meest van al nog met zijn stijl en zijn persoonlijkheid.

Mensen koesteren hun clichés en nemen er moeilijk afstand van. De Wever geeft sommige van zijn tegenstanders geen andere keus dan het na lange tijd eindelijk over een andere boeg te gooien.

Je zou een mens voor minder haten.

Een splitsing in de geesten

WAT BHV IS EN WAT HET HAD KUNNEN ZIJN

Een groot akkoord over Brussel-Halle-Vilvoorde had een akkoord over de taalgrens moeten zijn, een echt nieuw pact voor België. Een halve eeuw na het vastleggen van de taalgrens, hadden we die taalgrens ondubbelzinnig moeten bevestigen. De Franstalige partijen hadden in de meest duidelijke bewoordingen moeten verklaren dat de taalgrens onaantastbaar is en blijft, nu en tot in eeuwigheid.

De Franstaligen blijven worstelen met die taalgrens. In grote meerderheid hebben ze aanvaard dat België verdeeld is in gewesten en gemeenschappen. Het zijn nog slechts enkelingen die echt de klok willen terugdraaien naar een België dat Latijns zal zijn of niet zal zijn. Maar in het collectieve Franstalige onderbewustzijn is de taalgrens nooit een echte grens geweest. Ze zien het als een soort afbakening, maar ze dichten die geen absoluut en zeker geen definitief karakter toe.

Brussel-Halle-Vilvoorde, kiesomschrijving en gerechtelijk arrondissement, was één groot bewijs van die bom onder België. Het toonde die diepe splitsing tussen Vlaamse en Franstalige geesten. De lange worsteling met de Franstaligen legde feilloos de vinger op deze tricolore wonde. En uitgerekend de “oplossing” die acht partijen vandaag in wetten verankeren, bevestigt dat levensgrote probleem voor al wie België nog een lang leven toewenst.

Het Vlaamse standpunt over BHV vertrok vanuit het territorialiteitsbeginsel. De Franstalige stelling – en ook het uiteindelijke compromis – legde de nadruk op het personaliteitsbeginsel. Dat is allemaal geen detail. Het personaliteitsbeginsel ontkent de taalgrens. En door de taalgrens poreus te houden, verzekert men dat ook in de toekomst Vlaamse gemeentes betwist zullen blijven. Het is een eeuwiglopende levensverzekering voor de communautaire spanningen in Vlaams-Brabant.

Het is een groot raadsel waarom Belgicisten niet inzien dat ze belang hebben bij een onaantastbare taalgrens. Alleen communautaire duidelijkheid kan België redden. Alleen goeie afspraken en fundamenteel respect voor de Nederlandse taal en het Vlaamse grondgebied kan Vlamingen blijvend verzoenen met de Belgische constructie. Op de lange termijn zal blijken dat de korte pijn, een echte en volledige splitsing van BHV, een veel betere zaak zou zijn geweest voor Belgische nationalisten dan voor Vlaamse nationalisten.

In plaats van duidelijkheid, goeie afspraken en respect hebben we dus het Vlinderakkoord gekregen. Toegevingen zijn niets vies, maar het is pijnlijk om vast te stellen precies welke toegevingen onze Franstalige landgenoten hebben gevraagd – en ook hebben gekregen. De invoering van een in essentie etnische rechtspraak in Halle-Vilvoorde is een uiting van een diep anti-Belgisch sentiment. Geen enkele Vlaams-Nationalist kan zo scherp de mislukking van het Belgische project verwoorden: dat Vlaamse rechters niet in staat zouden zijn om recht te spreken over Franstalige inwoners van Vlaanderen.

De Franstaligen hebben dan nog niet eens alles gekregen wat ze hadden gevraagd. Inzake Brussel heeft het Franstalige front zeer duidelijk gemikt op het afbouwen van Vlaamse rechten. Het toont nog maar eens aan dat wie zich altijd weer de betere Belg noemt, daarom nog geen goeie Belg is. Het agressieve project tégen de Vlamingen in Brussel en de miskenning van de taalgrens zijn onverstandige, contraproductieve en on-Belgische standpunten. Alles wat daaruit voortvloeit, zullen de Franstaligen aan zichzelf te danken hebben.

Hopelijk zal men ooit inzien dat men hier een historische gelegenheid heeft laten liggen. Hier had de communautaire vrede duurzaam vastgelegd kunnen worden. Hier had België een nieuw sterk ankerpunt kunnen krijgen. In ruil hadden Vlamingen even ondubbelzinnig kunnen decreteren dat er altijd een structurele solidariteit zal zijn tussen de Vlaamse en de Franstalige gemeenschap. Op die manier had men ook dat oude wantrouwen kunnen bezweren.

Niets zo jammer als een gemiste kans. Vandaag, vrijdag 13 juli 2012, had een historische dag kunnen zijn. Het snertdossier Brussel-Halle-Vilvoorde had een grote stap voorwaarts kunnen zijn: het had een verschil kunnen maken. En dan was het meteen al die herrie waard geweest.

Het heeft niet mogen zijn.

Het Onderwijs zal ons níet redden

Neen, het is níet de eerste doelstelling van ons onderwijs om sociale ongelijkheid uit te te wissen. Het onderwijs moet een instrument zijn om los te kunnen komen van je eigen sociale milieu, maar dat instrument zal je dan in de eerste plaats zelf moeten gebruiken.

Nu er opnieuw een grote onderwijshervorming op tafel ligt, wordt sociale ongelijkheid vaak aangehaald door voorstanders van de hervorming. En het is waar: nog te veel heeft sociale achtergrond een negatieve invloed op de studiekeuze. Sommige kinderen kijken als vanzelfsprekend naar het TSO, anderen naar het ASO – terwijl die twee soorten allebei misschien beter voor een andere richting zouden kiezen. Dat is een probleem, en er moet aan gewerkt worden.

Maar de hervorming van Onderwijsminister Pascal Smet (SP.a) wil de lagere school met twee jaar verlengen en alle leerlingen tijdens de eerste twee jaar van het middelbaar onderwijs samenzetten in één richting. Ongeacht capaciteiten en ongeacht sociale afkomst. Op de achtergrond speelt de gedachte dat we sociale ongelijkheid voor een deel kunnen uitwissen, als we maar een eenheidsworst scheppen voor iedereen.

Dat werkt natuurlijk niet. Het is dezelfde denkfout die ook gemaakt wordt door mensen die menen dat een verplicht schooluniform sociale differentiatie op de speelplaats zal tegenhouden. Leerlingen zullen altijd een manier vinden om hun eigen (sociale) identiteit uit te dragen. In lagere scholen, waar in theorie iedereen samenzit, is dat vandaag al zo. In de eerste jaren van het middelbaar, wanneer jongeren op een leeftijd komen dat ze hun identiteit juist beginnen vorm te geven, zal dat niet anders zijn. Onderschat kinderen niet, hun ouders ook niet en scholen al zeker niet.

Maar niet alleen is het idee om via het onderwijs sociale ongelijkheid uit te wissen naïef en tot mislukken gedoemd: het is ook fundamenteel fout. Het is helemaal niet de taak van het onderwijs om sociale gelijkheid te brengen waar er geen is. De opdracht van het onderwijs is kennisoverdracht en vorming: kritische en zelfstandige jonge mensen opleiden, juist ongeacht hun sociale achtergrond. Het onderwijs moet helemaal geen regeringsinstrument zijn om een bepaalde ideologische agenda uit te voeren – ook al is die agenda waarschijnlijk goedbedoeld.

Je kan het minister Smet natuurlijk moeilijk kwalijk nemen. De Vlaamse socialisten zijn noch bijzonder Vlaams, noch bijzonder socialistisch. Het zijn sociaaldemocraten met een niet altijd even duidelijk profiel. Op veel punten, zoals bijvoorbeeld wonen en werk, zijn ze ofwel ver opgeschoven naar het centrum of verdedigen ze consensusstandpunten die door bijna niemand echt worden aangevochten. Misschien is Onderwijs een van de laatste domeinen waarop een partij als SP.a zijn stempel denkt te kunnen drukken. Maar dan toch liever niet ten koste van dat onderwijs.

Natuurlijk moet het onderwijs – en niet alleen het middelbaar onderwijs, maar zeker ook unief, lagere school en vooral kleuterschool – kansen bieden aan groepen met een sociale achterstand. Er bestaat waarschijnlijk geen beter middel dan precies het onderwijs om jezelf sociaal op te werken. Maar het onderwijs moet zijn als een ladder, die je zelf moet beklimmen, en niet zoals een bungalow waar men iedereen samenzet op de laagdrempelige gelijkvloers zonder zelfs maar te denken aan een bovenbouw. Het onderwijs moet kansen bieden, maar het is aan al die jongeren met talent om ze ook te grijpen.

Mijn eigen vader komt uit een bescheiden thuis. Hij zegt weleens dat het onderwijs hem gered heeft, maar de waarheid is dat hij zichzelf heeft gered door volop gebruik te maken van goed onderwijs. Hij was verstandig, kon gaan studeren en zou de rest van zijn leven van zijn hoofd kunnen leven. Mijn vader kon sociaal promoveren: niet omdat het niveau van het onderwijs was afgestemd op hem, maar omdat hij integendeel gedwongen was om zich aan te passen aan het niveau van het college en de universiteit. We bewijzen ook talentvolle jongeren uit kwetsbare sociale milieus geen dienst door een veelheid aan verschillende richtingen te vervangen met de grootste gemene deler.

Dus alsjeblief: voorzie meer begeleiding voor kansengroepen. Maak werk van studiebegeleiding, van betere informatie over de vele studierichtingen, van correcte gegevens over beroepsmogelijkheden. Laat kinderen al in de lagere school proeven van vele verschillende richtingen. Het is natuurlijk belachelijk om jongens en meisjes uit het zesde leerjaar gedurende een half dagje een paar uur te laten knutselen in een TSO-atelier en een vaag lesje Latijn te geven: laat ze beter eens een volle week kennismaken met een representatief en realistisch programma uit het middelbaar.

Maar om de liefde Gods: vestig niet al uw geloof in de maakbaarheid van de samenleving op het onderwijs. Denk niet dat het onderwijs gelijkheid zal brengen: dat kan niet, en dat moet ook niet. Sociale gelijkheid komt er niet door defaitisme en eenheidsworst, maar door ambitie en veeleisend onderwijs.

Verbeter ons onderwijs, maar niet door het te veranderen. En redt vooral u zelven.

Dode taal

En toen orakelde Chris Smits van het Vlaams Verbond van het  Katholiek Secundair Onderwijs (VVKSO) dat mensen “voor Latijn kiezen omwille van het prestige en niet uit interesse”.

Nou moe.

Ik heb zes jaar Latijn gedaan op een van die katholieke secundaire scholen van mijnheer Smits, vijf jaar ook met Grieks erbij. Prestige? Mijn school had oog voor prestige: het is een van die landelijke colleges die te boek staan als “eliteschool”. Maar mijn klasgenoten, en ikzelf, hebben voor Latijn gekozen (en opnieuw gekozen, op het einde van de eerste en tweede graad) omdat het ons lag, omdat het ons zinvol leek en omdat we het graag deden.

Heel dat discours over een “prestigieuze eliterichting” is geworteld in vooroordelen die al lang achterhaald zijn. Het zijn vandaag al lang niet meer de Latinisten die een school het meeste prestige opleveren. Mijn klasgenoten uit de GRLA zijn nu leerkracht, psycholoog of godbetert historicus geworden. Oud-leerlingen van de Wetenschappen-Wiskunde (WeWi) hebben dan weer ingenieursdiploma’s om mee te blinken in het alumniblad.

Zelf heb ik Latijn gedaan uit liefde én uit noodzaak. Ik kon namelijk op geen enkele andere plaats terecht. Wetenschappen, wiskunde, alles wat technisch of ruimtelijk inzicht vereist en de meeste sportieve dingen: ik heb het er zeer moeilijk mee. Maar taal ligt me wel, en ik doe het graag. Het ontleden van een oude, dode taal spreekt mij aan. Ik heb dat nooit glamoureus of bijzonder apart gevonden. De Latijnse was gewoon mijn redding.

Maar de richting is natuurlijk meer dan een schuiloord voor kneusjes die nergens anders voor willen deugen. Latijn studeren is (net als Grieks trouwens) niet vrijblijvend, het is niet zomaar een hobby voor nostalgici en hun kinderen. Het is ten dele een rijk en rechtstreeks contact met een lange traditie en een bijzondere erfenis, maar het is ook gewoon een zeer goede manier om taalinzicht aan te scherpen; om filosofie, cultuur en geschiedenis aan te reiken en om het abstractievermogen verder te ontwikkelen.

Kan dat dan op geen enkele andere manier? Natuurlijk wel. Is Latijnse inherent beter dan elke andere richting? Natuurlijk niet.

Ook in het onderwijs van morgen moet keuzevrijheid centraal staan. En dat betekent dat je ook voor de Latijnse moet kunnen kiezen, zoals mijn klasgenoten en ik dat verschillende keren hebben gedaan (en niet om de eer). Wanneer het vak Latijn in een hervormde eerste graad minder dan vier contacturen zou krijgen, is het vak ten dode opgeschreven. Je kan geen Latijn onderwijzen zonder een serieuze basis te leggen in de eerste graad.

En als het keuzevak Latijn vier uren zou krijgen in de eerste graad, wat verandert er dan eigenlijk? Zullen al die ouders die blijkbaar uit prestige kiezen voor het Latijn die keuze niet meer maken omdat “een richting” nu “een optie” heet?

Ik heb graag in het katholiek secundair onderwijs gezeten: ik zou er mijn eventuele kinderen ook naartoe willen sturen. Maar als ik de kranten mag geloven, dan zal het een privé-school moeten worden. Omwille van prestige? Neen, mijnheer Smits, dan heeft u er niets van begrepen. Wel uit liefde. Én uit noodzaak.