Categorie archief: Taal

De voorstad groeit

Ook in de voorstad zijn de mensen onverschillig. Toen Brussel nog een Brabants ding was, haalde men er in Aalst de schouders voor op . Zelfs toen Liedekerke en Denderleeuw, vanuit de voorstad zijn dat voordorpen, langzaam maar zeker veranderden, was het geen discussiepunt op café.

Aalstenaars zitten nochtans veel op café.

Maar dan is het daar dus, “de verfransing”. Geen invasie, geen verovering en al zeker geen vernietiging van mijn geliefde slaapstad aan de stinkstroom. Niet eens grote problemen, want doorgaans leven wij en zij, de nieuwkomers, gewoon vreedzaam naast elkaar.

En dat is dus het probleem.

In gemeenschappen die in korte tijd een grote instroom van nieuwkomers te verwerken krijgen, ontstaan aparte werelden. Fysiek wonen we wel in dezelfde stad, mentaal zitten we op een andere planeet.Voor teveel nieuwkomers is Aalst slechts een domicilie: voorts denken ze in Brussel. Velen werken in de anderstalige hoofdstad, anderen sturen er hun kinderen naar school.

In die gezapige en goed georganiseerde apartheid is Aalst nu verzeild geraakt. En de voorstad zal blijven groeien, want noch Aalst noch Brussel zal zich laten verleggen. Mensen zullen evenmin, na al die eeuwen, stoppen met migreren. Mogen we de instroom managen? Of zullen diegenen die beweren te geloven in de maakbaarheid van de samenleving, nu plots pleiten voor laissez faire, laissez passer?

Taallessen dus, en integratiecursussen. Niet verplicht, wel gewenst. Trouwens ook door nieuwkomers, want er bestaan in Vlaanderen wachtlijsten voor alles en dus ook voor taallessen (mogelijk is die wachtlijst bewust, als eerste les in integratie). Een ander belangrijk initiatief is huiswerkbegeleiding voor allochtone kinderen. Als scholier heb ik me daar zelf nog aan gewaagd. Wanneer mijn mohammedaanse pupillen dan woorden met th moesten leren, dicteerde ik hen steevast zinnen als “de katholiek is sympathiek”. Let wel, dit was voor Vangheluwe, ik zou mijn indoctrinatie nu anders aanpakken.

En ja, nu willen we ook onze eigen identiteit meer gaan benadrukken. Dit luik van integratie is meer omstreden, maar minstens even essentieel. Nieuwkomers hebben immers baat bij een duidelijk kader, een wervend alternatief voor hun oude context. Zelfs iets onnozel als een vlag kan helpen om de diversiteit van dit land voor Nieuwe Belgen te illustreren.

Banbliksems voor dat soort nationalisme zijn populair. Maar je kan er moeilijk omheen dat landen met een sterke nationale identiteit, wij denken Nederland, betere voorbeelden zijn van succesvolle integratie. Kijk naar allochtone Nederlanders, dat zijn ook gewoon hollanders. Zonder complexen.

Dat kan misschien een tweede les in integratie zijn: Vlamingen bulken van de complexen. In Vlaanderen is het al een probleem als een bestuursmeerderheid het woord Vlaams op briefpapier durft drukken. Zoveel zelfhaat, zoveel frustratie, dat al wat Vlaams is wel verdacht moet zijn, “te beladen” en toch best anders heet.

Kan je het nieuwkomers verwijten dat ze niet altijd snel geneigd zijn zich in zo een volkje in te passen? Wat niet een beetje van zichzelf houdt, kan niet aantrekkelijk zijn. In plaats van de handen in elkaar te slaan voor een nieuw en intercultureel Vlaanderen dat niet alleen groeit maar ook bloeit, voor een stad die ook een echte samenleving is, hakken we liever op elkaar in, bespuwen we onze eigen naam. Zoveel gekrakeel.

De ene zegt dit en de andere dat. En… ach, enzovoort, enzovoort.

Advertenties

Dode taal

En toen orakelde Chris Smits van het Vlaams Verbond van het  Katholiek Secundair Onderwijs (VVKSO) dat mensen “voor Latijn kiezen omwille van het prestige en niet uit interesse”.

Nou moe.

Ik heb zes jaar Latijn gedaan op een van die katholieke secundaire scholen van mijnheer Smits, vijf jaar ook met Grieks erbij. Prestige? Mijn school had oog voor prestige: het is een van die landelijke colleges die te boek staan als “eliteschool”. Maar mijn klasgenoten, en ikzelf, hebben voor Latijn gekozen (en opnieuw gekozen, op het einde van de eerste en tweede graad) omdat het ons lag, omdat het ons zinvol leek en omdat we het graag deden.

Heel dat discours over een “prestigieuze eliterichting” is geworteld in vooroordelen die al lang achterhaald zijn. Het zijn vandaag al lang niet meer de Latinisten die een school het meeste prestige opleveren. Mijn klasgenoten uit de GRLA zijn nu leerkracht, psycholoog of godbetert historicus geworden. Oud-leerlingen van de Wetenschappen-Wiskunde (WeWi) hebben dan weer ingenieursdiploma’s om mee te blinken in het alumniblad.

Zelf heb ik Latijn gedaan uit liefde én uit noodzaak. Ik kon namelijk op geen enkele andere plaats terecht. Wetenschappen, wiskunde, alles wat technisch of ruimtelijk inzicht vereist en de meeste sportieve dingen: ik heb het er zeer moeilijk mee. Maar taal ligt me wel, en ik doe het graag. Het ontleden van een oude, dode taal spreekt mij aan. Ik heb dat nooit glamoureus of bijzonder apart gevonden. De Latijnse was gewoon mijn redding.

Maar de richting is natuurlijk meer dan een schuiloord voor kneusjes die nergens anders voor willen deugen. Latijn studeren is (net als Grieks trouwens) niet vrijblijvend, het is niet zomaar een hobby voor nostalgici en hun kinderen. Het is ten dele een rijk en rechtstreeks contact met een lange traditie en een bijzondere erfenis, maar het is ook gewoon een zeer goede manier om taalinzicht aan te scherpen; om filosofie, cultuur en geschiedenis aan te reiken en om het abstractievermogen verder te ontwikkelen.

Kan dat dan op geen enkele andere manier? Natuurlijk wel. Is Latijnse inherent beter dan elke andere richting? Natuurlijk niet.

Ook in het onderwijs van morgen moet keuzevrijheid centraal staan. En dat betekent dat je ook voor de Latijnse moet kunnen kiezen, zoals mijn klasgenoten en ik dat verschillende keren hebben gedaan (en niet om de eer). Wanneer het vak Latijn in een hervormde eerste graad minder dan vier contacturen zou krijgen, is het vak ten dode opgeschreven. Je kan geen Latijn onderwijzen zonder een serieuze basis te leggen in de eerste graad.

En als het keuzevak Latijn vier uren zou krijgen in de eerste graad, wat verandert er dan eigenlijk? Zullen al die ouders die blijkbaar uit prestige kiezen voor het Latijn die keuze niet meer maken omdat “een richting” nu “een optie” heet?

Ik heb graag in het katholiek secundair onderwijs gezeten: ik zou er mijn eventuele kinderen ook naartoe willen sturen. Maar als ik de kranten mag geloven, dan zal het een privé-school moeten worden. Omwille van prestige? Neen, mijnheer Smits, dan heeft u er niets van begrepen. Wel uit liefde. Én uit noodzaak.

Liefdesleven

Afgewezen worden omdat je pezeweverij soms tot een kunst en een dagtaak verheft.

Afgewezen worden omdat je onbewust haar Waregemse accent nabauwde toen je zei dat je haar ook een snelle poeze vond.

Afgewezen worden omdat het je niet meer aan te zien is dat je ooit een tuin hebt gehad, en jongensdromen over ridderburchten en ruimtereizen.

Afgewezen worden omdat je geen illusies meer koestert nopens de mensheid en geen overdreven achting hebt voor de goedheid van onbekenden.

Afgewezen worden omdat je haar beste vriendin een suffe troela hebt genoemd – wat dan nog een eufemisme was, maar ach.

Afgewezen worden omdat je nu eenmaal wel een magnetisch centrum van jongensachtige charme bent, maar dan toch geen bepaler van vrouwenlevens of meisjesdromen.

Afgewezen worden omdat je al teveel gesignaleerd bent in – nee, niet een bordeel, maar dan toch “een volks café met entraîneuses”.

Afgewezen worden omdat je haar nóóit zou verlaten, maar door een speling van het lot wel iets weg hebt van haar vader, die wél is weggegaan.

Afgewezen worden omdat je eens hebt gezegd dat je graag heel erg oud zou willen worden, als een varken dat hoopt te kunnen creperen.

Afgewezen worden omdat je nog steeds onsamenhangende fantasieën koestert over haar vriendin, die nu ook weer niet zo suf is.

Afgewezen worden omdat je woorden als hefschroefvliegtuig en halsrechten gebruikt, als je ook helikopter en onthoofden had kunnen zeggen.

Afgewezen worden omdat jij haar jaren geleden ook eens hebt afgewezen, toen zij nog dikke puisten had en nooit boeken las.

Afgewezen worden omdat je haar eens bruusk hebt laten remmen, de auto bent uitgesprongen en uit de groentewinkel teruggekeerd bent met een brede grijns en enkele bosjes radijzen: “Kijk, schat: de eersten van het seizoen!”

Afgewezen worden omdat je geen grapjes duldt over je moeder.

Afgewezen worden omdat je wel graag buiten bent, maar onlangs een katapult hebt gekocht om loden bolletjes naar waterrratten te slingeren.

Afgewezen worden omdat je bol staat van de kermisgrootspraak.

Afgewezen worden omdat je haar zo graag ziet dat je haar van al je denkbeelden wilt overtuigen, zelfs dat ene vreemde idee over soep en de volwaardige maaltijd.

Afgewezen worden omdat je afkomstig bent van een stad waar de mensen wel dijken en molens hebben gebouwd, maar nooit eens een theater.

Afgewezen worden omdat je zelf wel boeken leest, maar soms ook graag uren op een terras gaat zitten om de mensen aan te gapen.

Afgewezen worden omdat je stiekem wel van communisten houdt, nog meer nu zij definitief de strijd tegen de geschiedenis hebben verloren.

Afgewezen worden omdat je andere mensen soms als hinderpalen bestempelt en “wanorde” als het ergste verwijt hanteert.

Afgewezen worden omdat het derde en vierde leerjaar je laatste jaren als pacifist waren.

Afgewezen worden omdat je te weinig in staat bent om oprecht en vol vreugde dit leven te loven.

Afgewezen worden omdat je al je gebreken ontkent, en ze zelfs omarmt en verheerlijkt – zonder inzicht en zonder berouw.

Afgewezen worden omdat je altijd beter weet maar nooit beter kunt, twijfelt tussen hoogmoed en lafheid en dan maar kiest voor het oude boerenrecept: kop in kas – en voortdoen.

Omdat je bent wie je bent, en je daar al te snel bij neerlegt.

(En soms klaag je ook teveel)

Verboden het verbieden te verbieden

Ze bedoelen het zo goed bij de VRT. In hun nieuwe taalcharter wordt gepleit voor een versoepeling van de oude regels die voorschrijven dat het Standaardnederlands de taalnorm is voor de uitzendingen van de openbare omroep. Neen, ze willen niet af van de norm. Zeker in nieuws- en duidingsprogramma’s blijft hij strikt gehandhaafd. Maar in lichtere programma’s moeten regionale accenten mogelijk worden. Correcte grammatica, maar het vocabularium en de tongval mogen best wat couleur locale hebben. Het is niet het totale taalverraad waar tegenstanders nu al over steigeren. En toch is het een grote vergissing.

Een mens vraagt zich af waarom de regels moeten worden aangepast. Wat is eigenlijk het grote probleem? Ook vandaag hoort men al vele regionale accenten op één, Ketnet en Canvas. De voorstanders van een aanpassing geven een hele resem voorbeelden van programma’s die nu al te zien zijn op de VRT. En tot dusver heeft de Vlaamse Vereniging voor Germanisten nog geen Marsen op Brussel gehouden om dit aan te klagen, of ik zou iets zeer grappigs moeten hebben gemist. Er bestaat in de feiten al een gedoogbeleid. Waarom moet dat nu officieel worden ingeschreven in het charter? De voorstanders moeten toch ook geweten hebben dat dit op verzet zou stuiten?

Het zal wel een “signaal” zijn. Een signaal geven van wat? Dat de VRT zeker en vast mee is met zijn tijd? Dat de VRT weet wat er in Vlaanderen leeft, en wat er daar gesproken wordt? Dat de VRT dichtbij de mensen staat? Dat behoort allemaal niet tot de opdracht van de VRT. Wat taal betreft heeft de VRT een voorbeeldfunctie. Het is het enige huis dat de middelen en de potentiële impact heeft om positief te wegen op de taalevolutie in Vlaanderen.

En het gaat niet goed met die taalevolutie. Misschien heeft men in het verleden teveel gehamerd op het ABN (Algemeen Beschaafd Nederlands, of Godbetert zelfs Algemeen Beter Nederlands, alsof de regionale accenten onbeschaafd of slechter zouden zijn). Een uniforme taalnorm voor het hele Nederlandstalige taalgebied mag niet ten koste gaan van onze dialecten. Of zelfs van onze tussentaal. Dit zijn taalvarianten die hun (grote) waarde hebben, en niet verloren mogen gaan. Maar in dat én-én-verhaal moet de VRT de taalvariant die het moeilijk heeft ondersteunen. Dialecten herleven nu na een moeilijke periode. En de tussentaal floreert zelfs als nooit tevoren. Die varianten hebben de VRT nu dus niet nodig. Het Standaardnederlands heeft wél de actieve ondersteuning van de populaire Vlaamse omroep nodig.

Misschien is het nu al zo dat het Standaardnederlands als “actieve” gebruikstaal van een grote groep burgers gewoon niet (of nauwelijks) bestaat in Vlaanderen. Maar juist daarom moet de VRT de standaardnorm blijven propageren. Het Standaardnederlands is nóóit algemeen ingeburgerd geweest bij brede lagen van de bevolking. Maar dat is ook niet waar het allemaal om draait bij die Standaardtaal. De Standaardtaal bestaat omdat er een overkoepelende vorm van het Nederlands nodig is. Alleen al het feit dat er een (in grote mate kunstmatige) norm bestaat, verheft ons klootjesvolk uit het provincialisme. Door AN te spreken treden wij toe tot een volk van 21 miljoen Nederlandstaligen. De Standaardtaal op de helling zetten, is met oogkleppen onder je eigen kerktoren gaan zitten. Wat knus, gezellig en zelfs eerlijk en waarachtig kan zijn. Maar verstandig is het niet.

Trouwens: het is niet omdat het AN geen natuurlijke taalvariant is die door een grote groep mensen als gewone spreektaal gebruikt wordt, dat het niet nog altijd een belangrijke standaard is. Probeer maar eens carrière te maken als je er gewoon niet toe in staat bent om los te komen van je dialect. Maak maar eens een goeie indruk tegenover landgenoten van amper 100 kilometer verder als je niet kan omschakelen naar een gedeeld taalplatform waar je elkaar kan ontmoeten. Heel veel zeer succesvolle (Vlaamse!) mensen hebben zich maar kunnen emanciperen door het Nederlands, soms zelfs als een vreemde taal, aan te leren. En nog altijd is taalachterstand sociale achterstand. Mensen die zich niet behoorlijk kunnen uitdrukken, worden daar ook in 2011 nog steeds op afgerekend. Had de VRT niet ook een sociale functie?

Een taalnorm is trouwens ook broodnodig voor de grote migrantengemeenschap in Vlaanderen. Wij vragen aan Nieuwe Vlamingen, volkomen terecht, dat zij Nederlands leren. Maar vele van die migranten belanden na intensieve taalcursussen in een gemeenschap waar het Standaardnederlands dat zij geleerd hebben nauwelijks bestaat. Televisiekijken, een prachtige manier om je talenkennis bij te spijkeren, kan een grote hulp zijn voor deze mensen om hun Nederlands verder te ontwikkelen. Maar enkel als de omroep het Standaardnederlands durft hanteren. Wou de VRT trouwens geen grotere groep allochtone kijkers bereiken?

Waar is onze trots, als taalgebruikers? Is het niet beschamend dat zovele Franstalige Belgen het nog altijd hebben over le flamand? En dit zijn dan nog onze eigen landgenoten. Onze ambitie moet groter zijn dan “Vlaams”. Hier spreekt men Nederlands.

Het AN is een bedreigde taalnorm. Daarom moet de VRT, als normverspreider, het AN uitdragen. Zoveel mogelijk. Dialecten in fictie of een tongval in lichtere programma’s kunnen nu ook al. Het “signaal” van een veranderd taalcharter zal ons enkel naar het hellend vlak leiden. Heb toch eens wat ballen. Durf een norm stellen.

Le mot juste

Eén van de allergrootste maatschappelijke problemen in Vlaanderen vandaag is zelfdoding. Elke dag plegen ongeveer drie Vlamingen zelfmoord. Wij hebben als samenleving nog geen antwoord gevonden op dit suïcideprobleem. Ook de media heeft geen antwoord. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat de eerste drie zinnen van dit bericht al drie verschillende woorden voor de zelfgekozen dood bevatten. Onlangs werd er in een avondlijk praatprogramma een stevig boompje opgezet over deze woordenkwestie – die helemaal niet louter semantisch is, maar zeer emotioneel geladen is. “Zelfmoord” is de meer bekende term – wat o.m. blijkt uit het feit dat het Centrum ter Preventie van Zelfdoding nog steeds naar buiten treedt met de Zelfmoordlijn  – en is misschien ook de meer pakkende term voor krantenkoppen of voorpagina’s. Maar een deel van de nabestaanden is zeer emotioneel gekant tegen deze term, omdat “moord” een criminele connotatie heeft. Het is een zeer hard woord voor mensen die zeer diep geraakt zijn. Andere nabestaanden zullen zeggen dat enkel zo een hard woord eer doet aan het uitzonderlijk rauwe karakter van zelfmoord. Het is als gebeurtenis zo brutaal dat het geen eufemismen als zelfdoding of suïcide zou verdragen.

Zelfdoding en suïcide zijn inderdaad eufemismen. Terwille van de nabestaanden? Wellicht. Maar minstens ten dele ook terwille van onszelf. Het is een probleem waar we niet graag mee bezig zijn. Het gaat over de dood, en dat ligt altijd moeilijk. Maar het gaat ook over geweld tegen het eigen lichaam en het eigen leven, en dat is voor velen moeilijk te vatten. Daar blijven we liever wat van weg. Hoewel zelfmoord in heel veel sociale groepen tot de voornaamste doodsoorzaken behoort, gaat het in de kranten enkel over dit probleem wanneer er een mediageniek geval is. Een bekende Vlaming. Of familie van een bekend persoon. Of een bijzondere zaak. Alles samen een fractie van het totaal. Enerzijds is dit wraakroepend. Waarom hoor je politici in elke verkiezingsstrijd schermen met aantallen nieuwe jobs in de volgende legislatuur of percentages belastingvermindering? Waar blijft de politicus die naar de kiezer gaat met de ambitie het departement Welzijn te claimen en de zelfmoordcijfers terug te dringen tot bijvoorbeeld Nederlandse proporties? Welke krant durft het aan om élke dag opnieuw, op de voorpagina, bovenaan naast de titel, een cijfer te publiciceren? Eén cijfer, elke dag: het aantal mensen dat de dag voorheen zelfmoord heeft gepleegd. Waar blijft de artikelenreeks over de wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg? Anderzijds is dit alles misschien onmogelijk. De reden dat er mediarichtlijnen bestaan over zelfmoordberichtgeving is natuurlijk dat je altijd mensen op ideeën kan brengen. Het laatste wat iemand die het moeilijk heeft nog nodig heeft, is het mediaspotlicht gericht op het zelfgekozen levenseinde.

En dat is die ultieme, schrijnende Catch 22 waar de Vlaamse pers vandaag mee kampt. De pers kan geen goed doen. Er kan niet teveel aandacht voor zijn, want als je elke dag in de krant schrijft dat niemand aan een wit konijn mag denken, kan je er donder op zeggen dat je lezerspubliek  collectief minstens even aan een wit konijn gaat denken. Maar als er te weinig aandacht voor is, zoals nu meestal het geval is, dan hou je als media het sociaal taboe mee in stand. En daar zijn we vandaag. Al jaren hebben we torenhoge zelfdodingscijfers en al jaren slagen we er niet in een coherent beleid te formuleren als antwoord. Niet in de politiek en niet in de pers. Zelfs over de terminologie zijn we het niet eens.

Voor wie het zich nog afvraagt, er is wel degelijk één synoniem waar we ons misschien met zijn allen achter kunnen scharen. Het is het enige terechte synoniem, het enige woord dat het allemaal zegt: wanhoopsdaad. Het zet voorop waar het hier in essentie over gaat: wanhopige mensen. Medemensen.  Die in al hun wanhoop een laatste daad stellen. En wij laten begaan.