Witte Ruimte

Van mijn middelbare school – en ik heb het nu over het gebouw – herinner ik me weinig details. Een vage verzameling van lokalen en gangen die – na amper zes jaar – allemaal op elkaar zijn gaan lijken. Met één uitzondering. Ik herinner me elk hoekje en kantje van de bezinningsruimte, die ook wel de Witte Ruimte werd genoemd.

Het college had met vloerspots, wit pleisterwerk en een plafond van houten balken haar uiterste best gedaan om de bezinningsplaats een vrijblijvend karakter te geven. Dat was mislukt: de ruimte was een klaslokaal gebleven. Ik werd er nooit echt overtuigd door authentieke spiritualiteit, ook omdat ik al snel had ontdekt dat de Witte Ruimte slechts één exemplaar was uit een reeks akelig soortgelijke vertrekken – één in zowat elke middelbare school.

Een eerste tweelingsbroertje van onze eigen bezinningsruimte had ik bij toeval opgemerkt, bij het huwelijk van een vrijzinnige neef die geen heil meer zag in een kerkelijke plechtigheid. Een tweede exemplaar zag ik op het schoolfeest van een vriend uit een ander college. Daarna ben ik ze actief gaan opsporen. Alsof ik een of andere wetenschappelijke theorie wou bewijzen, liep ik de opendeurdag van elke school uit de stad af. Telkens trof ik zo een bezinningslokaal aan. Het werd mijn eigen kleine obsessie.

Aan de hand van wat al die bezinningsklassen met elkaar gemeen hebben, kon ik de richtlijnen die er over bestaan perfect reconstrueren. Blanke kleuren. Doordachte lichtinval. Parket. Tafels noch banken. Een kunstmatig zoldersfeertje strekt tot aanbeveling. Decoratie sober, maar vermijd een kerksfeer. Christelijke symbolen kunnen, maar liefst in abstracto – neutraliteit is hier een doel op zich.

Bezinningslokalen als de Witte Ruimte zijn ooit bedacht ter vervanging van de kapel van weleer. Het was de bedoeling om scholieren niet langer een dwingende denkrichting – de christelijke/katholieke – op te leggen. Maar het resultaat was dat je in de Witte Ruimte reddeloos werd overgelaten aan jezelf.

In de zes jaar die ik op het college heb doorgebracht, is de gezochte sereniteit van de Witte Ruimte eenmaal doorbroken geweest. De houten vloer werd toen bedekt door een berg knuffelbeesten in allerlei schreeuwerige kleuren. Wij, de achterblijvers, waren tijdens een wel heel zonnige speeltijd samengekomen voor – zo stond het op de uitnodiging – “een laatste knuffel van A.”.

“Een knuffel van A.” – daarmee werd dan gealludeerd op een omhelzing, wat me toen al wrang leek. Want zoveel omhelzingen waren er niet geweest. Dat lag vooral aan mij: aan het feit dat ik een jongen was, en A. een meisje en wij allebei vijftien. Maar zoals alle verklaringen van achteraf,  kon ook die mij niet sussen. En daarom dacht ik graag dat ze nooit het knuffeltype was.

Die middag in de Witte Ruimte bleek dat A. – grote, slimme, schalkse A. – rekken vol had gehad. Deze klasgenote, die ademloos Iphigeneia in Tauris droomde en gloedvol over Panthea schreef, had ook het hele sprookjesbos verzameld in een kleine meisjeskamer. En omdat er geen testament was, hadden ze ons maar die knuffels gegeven.

Hoe hadden we de parallellen met een boedelverdeling zo over het hoofd kunnen zien?

Omdat niemand iets zei, leek de omgeving het hele moment. Die o zo Witte Ruimte was alles wat er was. Even.

Het is die leegheid die ik onthouden heb. Ze drong zich op. Ik heb het haar nooit vergeven.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: