Kerstessay: Overlevingsschuld

Over zelfmoord en zelfbegoocheling

Nog steeds plegen in dit land elke dag zowat zeven mensen zelfmoord. En wij laten begaan. Zelfs wanneer de dag komt dat zelfmoorden verkeersongevallen zullen verdringen als de voornaamste niet-natuurlijke doodsoorzaak, dan nog zal er in dit land van zwijgers geen publiek debat losbarsten, ook dan blijft in Vlaanderen de stem gedempt, de blik ontweken, het taboe intact. Want hoe noem je anders een oorverdovend stilzwijgen, slechts spaarzaam onderbroken door een persvriendelijk dossier, dat zonder woorden ons verdriet onuitgesproken laat? Taboe. Heilloos huisje van laffe terughoudendheid.  Schuldig verzuim.

Wat niet te rechtvaardigen is, kan wel te verklaren zijn. Het uitblijven van een druk maatschappelijk gesprek over zelfmoord komt deels voort uit de aard van de zaak. Jezelf van het leven beroven gaat in tegen een elementair menselijk instinct: overleving. Denken aan het probleem zelfmoord is denken aan onze eigen uitersten. Het is benauwend. En niet alleen is het een onaangenaam, het is ook nog eens een moeilijk debat. Geladen én gecompliceerd: ziedaar een conversatie waar niemand zin in heeft.

Zelfs schoorvoetend is er geen beweging in te krijgen. Schijnheilige sereniteit weerhoudt ons van scherpe tussenkomsten in parlementaire beraadslagingen. Gebrek aan geestdrift belet dat kranten dag na dag gevuld worden met opiniestukken vol verontwaardiging. Nooit zullen zelfmoordcijfers worden aangekaart op een familiefeest, hoeveel tantes en neven er ook zichtbaar mogen ontbreken. Er komt geen Stille Mars voor de zelfmoordenaar: enkel het zwijgen van de achterblijvers. Vlaanderen verstomd.

En wiens schuld is dat nu?

Misschien is het wel de schuld van de media, favoriet mikpunt van een publieke opinie die niet eens zou bestaan zonder hen. Die media zijn altijd wel goed voor een sociale verantwoordelijkheid hier, een maatschappelijke plicht daar. Is het niet aan onze kranten en televisiestations om ons te wijzen op die torenhoge zelfmoordcijfers? Moet de aanzet van het hoognodige debat niet worden gegeven in commentaarstukken en debatprogramma’s?  Is het niet hemeltergend dat de media zich hoogstens een enkele keer wil verliezen in dat schijnbaar slechts semantische steekspel rond de termen “zelfmoord” en “zelfdoding”, maar de verdere suïcideproblematiek onbesproken laat? Ja, de media zijn een goede zondebok. Maar kloppen doet het niet. De media zijn geen doodzwijgers. Wel degelijk kaarten zij zo af en toe het probleem aan – af en toe zelfs fatsoenlijk. Met terughoudendheid, want zich bewust van de macht van hun eigen megafoon. Maar toch. Er worden programma’s gemaakt en stukken geschreven die het probleem op de voorgrond smijten. Redacties allerhande zoeken naar manieren om de problematiek te vertalen. Valt het journalisten te verwijten dat zelfmoord nooit voorpaginanieuws is? Ach neen. Niet de media.

Het onderwijs dan misschien. De scholen, die steeds minder moeten onderwijzen en steeds meer moeten opvoeden. Jongeren zijn uitstekend vertegenwoordigd in de zelfmoordstatistieken. En ons geloof in het onderwijs kan groot zijn. Er is geen actueel probleem of minstens een deel van de oplossing kan worden gevonden in een aanpassing van de eindtermen. Kan niet elke nood worden geledigd met een nieuw leerplan? Moet het onderwijs onze jongeren niet wegwijs en weerbaar maken? Of moeten leerkrachten niet minstens  waakzaam elk signaal gewaarworden? Maar leerkrachten zijn geen noodmelders die feilloos elke situatie, elke leerling kunnen inschatten. Je kan levensvreugde niet opgeven als huistaak, zorgeloosheid is geen examenstof. Kunnen we van scholen echt verwachten dat ze onze kinderen altijd en overal tegen zichzelf beschermen, een volledige mentale controle uitoefenen? Als puntje bij paaltje komt, zouden ouders dat niet eens pikken, en hun kinderen nog veel minder. Ach neen. Niet het onderwijs.

Gelukkig zijn er nog de politici. Hoeders van de publieke zaak en bewakers van alle antwoorden. In deze samenleving, die volgens hun ideologieën meestal maakbaar is, zijn zij het toch die de zelfmoordcijfers moeten terugdringen. Kijken wij niet in alles naar hen? Zij die gewantrouwd en uitgespuwd worden, maar het hele staatsapparaat ter beschikking hebben en in hun partijprogramma’s volledigheid voorspiegelen. Met zeven zelfmoorden elke dag is de zwellende groep nabestaanden een enorm stemmenreservoir dat stilaan met de samenleving samenvalt. Meer zelfs: is het niet statistisch waarschijnlijk dat onze heren en dames volksvertegenwoordigers zelf al verloren hebben, van dicht of van ver? Maar politici, zij doen hun best. En in hun kiesprogramma’s slaan zij zelfmoord niet over. Vroom belijden zij het voornemen de wachtlijsten in de psychiatrie terug te dringen. Ze zullen, eenmaal aan de macht, ook een expertisecentrum oprichten, want alle heil komt van commissies en overlegorganen. Kan het de politici echt aangewreven worden dat de belofte van honderdduizend nieuwe jobs meer wervingskracht heeft dan de wens om onze zelfmoordcijfers terug te dringen naar Nederlandse proporties? Ach neen, niet de politici.

Het zijn wij en wij alleen die een kiespubliek vormen dat slechts schreeuwt om mindere ambtenaren en meer gevangenissen. Het zijn wij en wij alleen die van onze politici simpele retoriek en snelle resultaten verwachten, die niet teveel bemoeienissen willen van onderwijzers en die vinden dat de kranten niet teveel moet zagen, maar na een paar dagen een ander plaatje moeten opleggen. Hoe banaal. Er woedt geen breed publiek debat over zelfdoding omdat wij er geen willen. Omdat we aanvoelen, in onze onvolprezen onderbuik, dat zo een debat ons één van onze meest gekoesterde illusies zal kosten. Een duurbevochten hersenspinsel dat ons te dierbaar is en ons dagelijks nog tien zelfmoordenaars mag kosten voor we het willen opgeven. Het is het geruststellende waanidee dat wij volstrekt vrij en autonoom zijn.

Vergeet politiek, onderwijs en media. Denk aan de denkbeelden die bestaan over zelfmoord in de brede samenleving. De impulsieve reacties die niet altijd even verholen blijven. Die worden ontkend in politiek, onderwijs en media. Maar denkbeelden verdwijnen niet omdat ze niet voor vol worden aangezien – misschien zelfs integendeel. Deze denkbeelden die bij het publiek bestaan over zelfmoord blinken zelden uit in empathie. Zelfmoord is aanstellerij. Zelfmoord is lafheid. Zelfmoord is egoïsme. Of nog: zelfmoord is iets dat wij moeten respecteren als de keuze van de zelfmoordenaar. Allemaal valse opvattingen die stuk voor stuk – ook al lijken ze soms tegenstrijdig – berusten op eenzelfde oerleugen: dat wij allen altijd en overal vrije en sterke mensen zijn, meester over ons leven, kapitein van ons lot. Was het maar waar.

Zowel de voorstelling die zelfmoord veroordeelt als een bewijs van zwakte als het beeld dat zelfmoord verheerlijkt als de triomf van de eigen keuzevrijheid vertrekken vanuit een valse vooronderstelling. Een noodlottige uitwas van het individualisme, die ons wijs wil maken dat ons persoonlijk zelfbeschikkingsrecht onvervreemdbaar is. Maar we hebben het niet altijd in de hand. Zelfmoordenaars maken helemaal geen keuze: de keuzevrijheid is hen ontnomen. Door de omstandigheden van hun leven. Door hun omgeving, in sommige gevallen. Door jaren en jaren en jaren van misbruik, depressie, pesterijen, schijnoplossingen, valse hoop, mislukkingen en dat dodelijkste gif van allemaal: onbegrip. De hoopvolle perspectieven zijn hen onttrokken. Ze zien de kansen niet meer. En wanneer er in het hoofd maar één uitweg meer is, kan er geen sprake meer zijn van een keuze. In zelfmoord een autonome beslissing zien is een wrange grap en een totale pervertering van de rauwe realiteit. Het is precies het tegenovergestelde.

Het woord “keuze” suggereert een selectie tussen verschillende mogelijkheden. Zelfmoord kan dus nooit een keuze zijn. Want het is een proces – géén ziekte –  waarbij een persoon steeds meer overtuigd raakt van de idee dat er slechts één uitweg overblijft. Zelfmoordenaars vergissen zich hierin zowat zonder uitzondering, maar de zelfmoordgedachte kan zo dominant zijn dat elk perspectief onzichtbaar is geworden voor diegene in nood. Verwar dit nooit met domheid of kortzichtigheid, want met intelligentie of opleidingsniveau heeft het niets te maken – een feit dat elke nadere studie van de zelfmoordcijfers zal illustreren. En het is waar dat dit  proces niet altijd van lange adem is. Soms zijn het geen jaren, maar slechts minuten. Dit zal door de buren van de nabestaanden hoofdschuddend “impulsiviteit” worden genoemd. Maar het is niet omdat het gedachteproces zich in een rotvaart voltrokken heeft, dat het niet heeft plaatsgevonden.

Er bestaat weinig genade voor zelfmoordenaars die zich voor een trein werpen. De spoormaatschappij zal zuinig van een ‘personenongeval’ spreken, maar reizigers die wat vertraging oplopen zullen verbitterd de dode vervloeken. En het is waar: de trein is wellicht de slechtste aller methodes. Niet omdat vertragingen zo onverteerbaar zijn, maar omdat locomotieven wreed zijn voor de nabestaanden en de machinisten die een laatste glimp opvangen. Toch moeten we ons die moeilijke vraag stellen: is het wel helemaal terecht om zelfmoordenaars alle praktische en psychische gevolgen van hun laatste daad aan te rekenen? Door dat te doen, behandelen we hen postuum nog altijd als volledig toerekeningsvatbaar. Onterecht. Wie zich voor een trein werpt, niet zelden in de fleur van het leven, is per definitie ontoerekeningsvatbaar. En eigenlijk is het merkwaardig dat de uitzonderlijke ruwheid van die laatste daad dat ene feit niet reeds afdoende illustreert.

“Ontoerekeningsvatbaar” moet hier niet worden begrepen als “waanzinnig” of “zot”. Het gaat er om dat zelfmoordenaars terecht zijn gekomen in een tunnelvisie die slechts  één optie open laat. Dat betekent niet dat zij zwakzinnig zijn en het betekent nog minder dat zij bij voorbaat verloren zouden zijn. Redeloos, radeloos maar niet reddeloos. Het zelfmoordproces is niet onomkeerbaar, en dat maakt het maatschappelijk stilzwijgen over dit probleem nog misdadiger.

Als samenleving moeten wij dringend aanvaarden dat geen enkele zelfmoordenaar ooit echt heeft willen sterven. Wie zich van het leven berooft doet dat niet om dood te zijn, maar slechts om niet meer te moeten leven. En dat is een wereld van verschil. De dood was nooit het doel. Het echte doel – op een andere en meer dragelijke manier gaan leven – was in gedachten gewoon onhaalbaar geworden. Het is misschien waar dat een zelfmoord soms een pak slachtoffers maakt in de omgeving die achterblijft, maar het eerste slachtoffer was de dader. De zelfmoordenaar was een vluchteling in zijn eigen leven, en zo moeten we hem gedenken. Als we die redenering consequent volgen, kunnen we niet anders dan besluiten dat ook het zo goed bedoelde eufemisme “uit het leven stappen” een verkeerd beeld oproept. Zelfmoord is geen vreedzaam wegwandelen van het eigen bestaan. Het is moeizaam, het wringt, het doet pijn.

Deze analyse berooft ons van de kleine dosis verzoening die het discours van de “zelfgekozen dood” de nabestaanden van zelfmoordenaars biedt. Het is veel somberder en het plaatst ons voor een grotere collectieve verantwoordelijkheid. Zelfmoordenaars zijn veel meer slachtoffers van een gebrek aan begrip, zorg en liefde dan het volstrekt autonome wezens zijn die in eer en geweten de beslissing hebben genomen om “uit het leven te stappen”. Na een zelfmoord is onze opdracht dus niet om ons te verzoenen met de “keuze” van onze dierbare vriend of vriendin, want van een echte keuze is geen sprake. In plaats van onszelf voor te houden dat hij of zij het nu eenmaal zo gewild heeft, moeten wij ons bezinnen over onze tekortkomingen, als persoon of als maatschappij. Want zelfs in dat finaal moment van radeloosheid heeft de zelfmoordenaar nog een klein hartje: is hij miserabel en ongelukkig; een ellendig wezen dat niet de hulp heeft gekregen die nodig was. “Wanhoopsdaad” is een van de weinige eerlijke omschrijvingen van zelfmoord.

Omdat het geen keuze is, kan het ook geen kwestie zijn van een gebrek aan moed en doorzettingsvermogen. “De makkelijke uitweg” is voor de zelfmoordenaar immers de enige uitweg. En laten we niet vergeten dat een aanzienlijk deel van de zelfmoordenaars voor het sterven eerst vele jaren heeft gevochten in zeer moeilijke omstandigheden: een  leeuwenmoed die de meeste andere mensen volstrekt vreemd is. Ook de morele veroordeling “lafheid” is niet alleen misplaatst, maar vooral onjuist. Niet zelden is een zelfmoord precies het tegenovergestelde van een egoïstische daad. Dit klinkt wrang, maar veel zelfmoordenaars hebben zichzelf ervan overtuigd dat zij een last zijn geworden voor hun omgeving. Ze denken dat ze maar beter dood kunnen zijn, want bij leven maar niet welzijn zullen zij enkel het geluk van anderen en het algemeen belang in de weg staan.

En dat is meteen de voornaamste reden waarom die kortzichtige en kwetsende kreten die over zelfmoord in de brede samenleving bestaan met wortel en tak moeten worden uitgeroeid. Hoe kan je het zelfmoordenaars kwalijk nemen dat zij zichzelf als het probleem zien, wanneer er vanuit de wijde omgeving constant signalen komen die de zelfmoordgedachten verketteren als laf, zwak en egoïstisch? In die zin dragen wij allemaal een collectieve overlevingsschuld tegenover de doden. Wij leggen ons neer bij een kille teneur die geen enkele moeite doet om begrip te tonen. We zijn zeer prestatiegericht, en we verdragen het niet wanneer iemand achterop blijft. We zijn ongepast trots op onze eigen mentale gezondheid en misprijzen iedereen die niet meer mee kan. Maar een samenleving is maar sterk als sommige mensen ook zwak mogen zijn.

Hier past geen oproep voor massale actie. Geen masterplannen, geen grote investeringen. En geen verwijten naar media, onderwijs en politiek. Het is goed om eerst en vooral in het eigen hart te kijken. Hoe staan wij tegenover mensen die het moeilijk hebben? Willen wij hen echt helpen, of voelen we ons vooral ongemakkelijk bij hun problemen? Te vaak wordt er smalend gedacht over zelfmoordenaars. En als we al nood hebben aan een verklaring voor hun dood, dan nemen we meestal genoegen met een enkelvoudige verklaring. De zelfmoord wordt dan in verband gebracht met een bepaalde traumatische gebeurtenis (“misbruik”, “mishandeld als kind”), met een concrete emotionele crisis (“liefdesverdriet”, “overlijden van een geliefde”) of met een vaag containerbegrip als “depressie”. En daarmee is dan onze nood aan een verklaring bevredigd. Dit doet onrecht aan de complexiteit van emoties en gedachten, de ontelbare schakeringen van de menselijke psyche. Er is niet één antwoord, één verklaring, samen te vatten in één zin – laat staan in één woord. Ook het simplistische enkelvoudige verklaringsmodel ontwijkt het diepe debat dat dringend nodig is in Vlaanderen.

Een sociaal vangnet bestaat niet enkel uit pensioenkassen en opvangplaatsen. Wij allen zouden de eerste lijn van de psychologische hulpverlening moeten zijn. Met een open geest, met begrip en respect. Dat is een opdracht voor elke dag, en het zit in kleine dingen. Het begint met het uitbannen van de oude vormen en gedachten die zelfmoord veroordelen als zwakte, egoïsme en lafheid. En dan moeten we een nieuw maatschappelijk debat opzetten. Want hoe kan een samenleving waarin zelfmoord een taboe is, echt alert zijn voor signalen? Onze collectieve overlevingsschuld zal blijven aanzwellen als wij blijven weigeren om lessen te trekken. Dit is de ergste struisvogelpolitiek: die ten koste gaat van onze eigen buren, vrienden, familieleden.  Het stilzwijgen moet worden doorbroken. Anders rest ons niets anders dan een beschamend en onbeschaafd voortbestaan.

Advertenties

One thought on “Kerstessay: Overlevingsschuld

  1. Nele3de schreef:

    Bravo. Geweldig stuk, ongelofelijk raak.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: