Geachte mijnheer Di Rupo,

Excellentie, u heeft de laatste tijd heel wat extra post gekregen. Enkele opiniemakers hebben na het gemor over uw persoon (of liever: het gemor over uw gebrek aan grote kennis van het Nederlands of een meerderheid in de Nederlandstalige taalgroep van de Kamer) de taak op zich genomen om de Vlamingen van u te laten houden, en u van de Vlamingen.

Ik begrijp dat niet. Waarom moeten wij zo nodig van elkaar gaan houden?

Van de beste premiers hebben wij nooit gehouden. Uw voorganger Gaston Eyskens heeft het land minstens evenveel gered als hij regeringen heeft geleid. Maar zelfs zijn eigen partij hield niet van hem. Ook het volk heeft deze wat norse professor nooit helemaal in het hart gesloten. Om het wat goed te maken zijn we zijn zoon, Mark Eyskens (nog een voorganger van u in de Wetstraat 16), gaan vereren als was hij een staatsman. De zoon heeft nochtans slechts één korte regering geleid, en het was een van de slechtste kabinetten in de vaderlandse geschiedenis. Op het einde van zijn regeertermijn kwamen de PS-ministers niet eens meer naar de ministerraad. Maar dat weet u – in 1981 was u al lid.

Dan is begrip beter. Het zou al mooi zijn als we elkaar wat beter zouden verstaan. De Vlamingen u, en u de Vlamingen.

En om de Vlamingen te begrijpen, moet u naar Aalst.

Dat mag u niet zwaar vallen: Aalst is niet zo ver van Brussel, en bovendien is het de meest Waalse stad van Vlaanderen. Mijn mooie Charleroi aan de Dender. In Vlaanderen is dat niet bepaald een compliment. Men bedoelt ermee dat Aalst een ietwat verloederde stad is, een toonbeeld van vergane industriële glorie. Het stinkt er. Er wordt veel gedronken. Wie gestudeerd heeft, trekt er weg.

Maar wie beter kijkt, ziet dat Aalst Vlaanderen is. Maar dan Vlaanderen zoals het er moet uitzien in een groteske kermisspiegel waarin alles wordt uitvergroot: de mooie én de lelijke kantjes. Aalstenaars zijn vleesgeworden karikaturen, een bloemlezing van clichés over Vlamingen. Het zijn brallers, lamme goedzakken met een peperkoeken hartje, stevige drinkers en potsenmakers. We zijn sjoemelaars en roddelaars, en we houden er niet van als mensen teveel boven de korenmaat uitsteken. Chauvenisten, soms een beetje xenofoob, maar trouwe kameraden eens het kameraden geworden zijn – in Aalst is het woord “kameraad” nog steeds erg in zwang, dat moet een lid van de Socialistische Internationale wel bevallen.

Men noemt Aalstenaars “Ajuinen”. Misschien zal men u vertellen dat deze benaming is afgeleid van de uienteelt, die vroeger nogal floreerde in het Land van Aalst. En het is waar: onze ajuinensoep is heerlijk. Zoals trouwens ook onze jenever en onze taartjes. Maar “ajuinen” komt volgens mij ergens anders vandaan. U moet eens goed luisteren naar Aalsterse vrouwen die “ah ja” zeggen. Dat komt vaak heel dicht in de buurt van “ajoin”. Zo is die benaming voor Aalstenaars eigenlijk een ode aan ons dialect, een heel slepend en vooral heel klagend taaltje.

Want klagers zijn we ook. Calimero’s. Luierikken – tamzakken, zoals we zeggen – die elke verantwoordelijkheid voor de eigen mislukkingen graag afwentelen op een ander. Op “Brussel” bijvoorbeeld – dat bent u. Maar goeie mensen. Echte mensen. Weinig steden doen zo weinig moeite om de eigen gebreken te camoufleren. We zijn er soms zelfs een beetje te trots op, maar passons. In Aalst kan men de Vlaming zien zoals hij is, niet zoals hij zou willen zijn. Dat is veel waard.

Ik neem aan dat u in februari de uitnodiging van het stadsbestuur zult aanvaarden en plaats zult nemen op de eretribune op de Grote Markt, wanneer onze vermaarde stoet op carnavalszondag voorbij trekt. U kan er de karikaturen van uzelf komen bekijken. En dan zult u die beroemde lach van u moeten demonstreren. Als Vlamingen één ding van hun leiders eisen, dan is het wel zelfrelativering.

De carnavalsstoet houdt het doorgaans proper. Maar recent heeft de Aalsterse burgemeester – die moet toezien op de goede zeden in de stoet – een geloofwaardigheidsprobleem gekregen wat publieke zeden betreft. Mogelijk houdt niet elke carnavalist zijn broek (of rok) aan als hij dit jaar voor de eretribune staat.

Maar als u onverhoeds tegen zo een paar Aalsterse billen zou aankijken, troost u dan met deze gedachte: ze doen het niet omdat ze u haten. En ze doen het ook niet omdat ze u graag zien. En als u dát begrijpt, dan zult u de Vlamingen begrepen hebben.

Liefde is voor uw tweede ambtstermijn.

Met hartelijke groeten,

Michaël Devoldere

Aalstenaar en Vlaming.

Advertenties

One thought on “Geachte mijnheer Di Rupo,

  1. Inge Ringoot schreef:

    Ik hoop dat je uw brief op de post gedaan hebt, Michaël! 🙂 Uw blogs zijn echt geweldig! En als extraatje leer ik nog heel wat nieuwe woorden bij, danku! 🙂

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: